Feyenoord faalt: een analyse in vijf bedrijven

F

Het voetbalseizoen 2018-2019 is nog maar acht wedstrijden oud. Feyenoord staat op een niet onverdienstelijke derde plaats op de ranglijst. Dat lijkt geen slechte start, maar Feyenoord heeft ook al laten zien dat het nog steeds kampt met bekende problemen. De ploeg speelt matig voetbal en wint zelden makkelijk. Een analyse van vijf terreinen waarop Van Bronckhorst en zijn team falen.

In het kampioensjaar had Feyenoord, naast een gedegen middenveld, twee opbouwende, sterke backs in Rick Karsdorp en Terrence Kongolo. Daarnaast waren er twee gevaarlijke buitenspelers in Eljero Elia en Steven Berghuis. Met Nicolai Jørgensen had Feyenoord een spits die alle elementen met elkaar kon verbinden of als eindstation kon fungeren. De ploeg wist in dat kampioensjaar maar liefst 86 doelpunten te scoren (met een indrukwekkend doelsaldo van +61). In het jaar dat erop volgde viel de ploeg sterk terug, scoorde niettemin 76 doelpunten, maar incasseerde tegelijkertijd 56% meer doelpunten (39 tegenover 25 het jaar ervoor). Een deel van deze spelers is er nog steeds, maar Feyenoord stokt nu al meer dan een seizoen. Waar ligt dat aan?

1. Gebrekkige opbouw

Veel goals scoren begint doorgaans met een gedegen opbouw. Daar slaagt Feyenoord lang niet altijd in. Een goed voorbeeld waaruit dit blijkt, is het uitduel tegen AZ (16 september 2018, eindstand 1-1). AZ hanteert de tactiek die alle coaches van alle Eredivisieclubs nu wel kennen: zet druk op de middenvelders en op Jan-Arie van der Heijden. Als dit goed gebeurt, weet Feyenoord het middenveld en vooral de aanval met Berghuis, Van Persie en/of Jörgensen niet meer te vinden. Vorig seizoen schoot de verder solide keeper Brad Jones de bal dan maar doel- en richtingloos naar voren. Dit seizoen laat centrale verdediger Eric Botteghin zien dat hij bijzonder weinig aan de bal kan. Resultaat is ideeëloos toevalsvoetbal, dat paradoxaal genoeg bijzonder voorspelbaar is. Niemand weet waar de medespeler heen zal bewegen. Iedereen gaat pas iets doen als de bal met enig toeval en geluk bij hem terecht is gekomen. 

Zeker, AZ speelt in deze wedstrijd met vier middenvelders tegenover de drie van Feyenoord, waardoor Clasie, Toornstra en Vilhena moeilijk aanspeelbaar waren. Dat zou echter voor een goed ingespeeld team niet hoeven te betekenen dat de opbouw daardoor volledig ontregeld wordt, zoals vrijwel de hele wedstrijd het geval was bij Feyenoord. Het patroon dat zich maar blijft herhalen: keeper Bijlow levert de bal in bij centrale verdediger Botteghin. Die wordt immers vrijgelaten door het slim pressende AZ. Van der Heijden, die Botteghins gebrek aan snelheid deelt, maar beter aan de bal is, wordt onder druk gezet, net als de backs St. Juste en Malacia en middenvelder Clasie.

De ‘opbouw’ die volgt, bestaat uit Botteghin die radeloos en dralend probeert een medespeler te vinden die aanspeelbaar is. In het beste geval weet hij één van de backs aan te spelen, die hem meestal weer met kerende post terug bezorgt. In het slechtste geval leidt deze eindeloos herhalende martelgang voor de Braziliaanse centrale verdediger tot balverlies en gevaarlijke uitbraken van AZ.

Bij wedstrijden in de Kuip durven de meeste ploegen het niet altijd aan om hoog druk zetten, omdat de flanken op het relatief grote veld makkelijker bereikbaar zijn. Dit zorgt echter niet voor een vlekkeloze opbouw van Feyenoord. Ook wanneer de pressing pas op het middenveld (of later) begint, komt de ploeg maar moeilijk tot uitgespeelde kansen.

Zo weet Feyenoord tegen Utrecht (23 september 2018, 1-0) pas te scoren in de 87ste minuut, na een wedstrijd lang ploeteren. Tegen Vitesse (30 september 2018, eindstand 2-1) wordt de voorsprong zelfs pas bereikt in de 88ste minuut, na zo mogelijk nog meer geploeter. Utrecht en Vitesse zetten pas druk op de eigen helft, maar weten beide met snelle uitbraken veel gevaar te creëren tegen het niet met veel snelheid gezegende verdedigingscentrum.

Feyenoords aanvalsspel komt in wedstrijden tegen ploegen die zich verdedigend opstellen doorgaans niet verder dan het rondspelen van de bal tussen de eigen verdediging en de beide flanken, zonder daarmee veel kansen af te dwingen. Het verschil moet gemaakt worden door individuele bevliegingen van spelers zoals Steven Berghuis, Tonny Vilhena, Nicolai Jørgensen of in dit seizoen vooral Robin van Persie. Dat is uiteindelijk een riskante en wankele basis voor wie consistent dominant wil zijn.

2. Slechte afstemming spelers en tactiek

De beste manier om het spel van Feyenoord te frustreren, is zoals gezegd de achterste linie onder druk te zetten. Maar hoe kan het dat pressing tegenover Feyenoord zo succesvol kan zijn? Ligt dat aan de kwaliteiten van de spelers of is de ploeg simpelweg niet goed genoeg getraind in hoe te bewegen om het opbouwspel te kunnen blijven spelen?

Wat betreft de eerste mogelijkheid: het is geen toeval dat Eric Botteghin vrij wordt gelaten. Botteghin maakt een bovengemiddeld aantal fouten in zijn passing (ruim 13,5% van zijn passes dit seizoen kwam niet aan, volgens Whoscored.com). Daarnaast is de 1.93m lange Botteghin niet overdreven beweeglijk of snel, evenmin als zijn vaste verdedigingspartner Jan-Arie van der Heijden. Dat gebrek aan snelheid wordt gecompenseerd doordat dit ervaren duo zich doorgaans goed weet te positioneren, maar dat houdt meteen in dat de twee relatief ver naar achteren staan.

In bovenstaande heatmaps, van Whoscored.com, vergelijken we AZ’s centrale duo Hatzidiakos-Koopmeiners met Botteghin-Van der Heijden. Die hebben gemiddeld de meeste tijd vlak voor hun strafschopgebied doorgebracht, terwijl het AZ-duo vijf tot tien meter verder naar voren staat. Directe consequentie is dat óf de afstand tot middenveld en aanval groter wordt (en de tussenliggende ruimte geëxploiteerd kan worden door de tegenstander), óf dat de rest van het team ook wat verder naar achter komt te staan, en daarmee logischerwijs verder van het vijandelijke doel.

Het probleem heeft dus deels te maken met het beschikbare personeel. De selectie van Feyenoord herbergt wel degelijk spelers die de rol van verdediger met opbouwende kwaliteiten beter kunnen invullen (Tapia en misschien Van Beek), net zoals er ook spelers voorhanden zijn die de snelheid hebben om fouten te kunnen corrigeren (zoals St. Juste, die bij zijn vorige club Heerenveen centrale verdediger was).

Aangezien ook de alternatieven geen wereldtoppers zijn, zullen ook bij een andere bezetting zwaktes en kwaliteiten tegen elkaar afgewogen moeten worden. Het is Van Bronckhorst echter aan te rekenen zijn tactiek en zijn spelers niet beter op elkaar afstemt.

3. Feyenoord en de Ontbrekende automatismen

De individuele kwaliteiten van spelers zoals Botteghin zijn natuurlijk maar de helft van het verhaal. De opbouwende verdedigers worden ook tot fouten gedwongen, omdat hun medespelers zich niet op een voor hen voorspelbare manier aanbieden. Andere ploegen die in grote lijnen dezelfde veldbezetting hebben, hanteren een aantal patronen bij de opbouw: soms zakt de achterste middenvelder in. Deze neemt een positie in tussen de centrale verdedigers, die breed gaan staan.

In andere gevallen dribbelt een centrale verdediger in en laat een middenvelder zich terugzakken. Wanneer de keeper aan de bal is, kan de bal achterin rondgespeeld worden. Dit gebeurt wederom volgens vaste patronen, totdat één van de aanvallers of middenvelders aanspeelbaar is.

De sleutel is de voortdurende beweging van de spelers volgens vaste patronen. Bij Feyenoord lijkt de opbouw simpelweg een kwestie van improvisatie en niet van gecoördineerde en ingeslepen bewegingspatronen, waaraan de spelers zich kunnen vasthouden. Als er al iets gebeurt, hanteert de ploeg zulke voorspelbare patronen, dat deze makkelijk te verhinderen zijn door de tegenstander.

Van buitenaf kunnen we er alleen maar naar gissen, maar óf er wordt niet specifiek (en hard genoeg) op getraind, óf het wordt niet uitgevoerd in wedstrijden. Beide mogelijkheden zijn onvergeeflijk voor een club als Feyenoord, met kampioensambities. Dat moet toch vooral als het falen van de technische staf van Feyenoord en hoofdverantwoordelijke Gio van Bronckhorst worden gezien.

4. Gio’s Tactisch falen

Giovanni van Bronckhorst is sinds het seizoen 2015-2016 de hoofdtrainer van Feyenoord. Hij heeft in die hoedanigheid een indrukwekkende lijst prijzen weten te pakken. De KNVB-beker werd al twee keer gewonnen, net als de Johan Cruijff-schaal. Zijn grootste prestatie tot op heden is natuurlijk het winnen van de landstitel in 2017.

Daarnaast is Van Bronckhorst ook als mens een sieraad voor de club met zijn sympathieke en integere uitstraling. Als kind van de club is hij in vele opzichten de juiste man op de juiste plaats geweest. Wedstrijden zoals die tegen AZ, die deel uitmaken van een langere trend, laten toch ook zien dat Feyenoord onder zijn leiding stagneert. De club dreigt weer op grotere achterstand gezet te worden. Niet alleen door de traditionele rivalen PSV en Ajax, maar ook door het al vaker genoemde AZ. Op termijn zijn zelfs Vitesse en Utrecht concurrenten. 

Van Bronckhorst hanteert qua bezetting meestal een 4-3-3,  waarin de twee backs mee opkomen. Het middenveld bestaat uit één speler die voor de verdediging speelt (voorheen El Ahmadi, nu Clasie) en twee lopende spelers (doorgaans Vilhena en Toornstra). De aanval bestaat uit twee geïnverteerde vleugelspelers (een linksbenige speler op rechts en vice versa op links) en een spits die als aanspeelpunt fungeert.

Een gangbare tactiek, waarmee de meeste Eredivisie-spelers wel uit de voeten zouden moeten kunnen. In ieder geval zouden na drie seizoenen alle finesses en details bekend zou moeten zijn bij de Feyenoord-spelers. Niettemin lijkt er geen sprake van ingesleten loop- en pass-patronen.

Als Van Bronckhorst al iets wijzigt in zijn tactische set-up, dan blijft er al helemaal niets over van teamspel. In de thuiswedstrijd tegen Vitesse zet Gio een 4-2-3-1 neer. Robin van Persie is als aanvallende middenvelder opgesteld en Dylan Vente als spits. Omdat Sam Larsson niet helemaal fit is, of om enige zekerheid in te bouwen, staat Toornstra linksbuiten.

Deze op het oog meer aanvallende opstelling resulteert in een tactische chaos in de eerste helft. Voor Berghuis lijkt pas tijdens de wedstrijd duidelijk te worden dat hij nu wordt geacht zijn directe tegenstander te verdedigen. Op de andere flank blijkt het samenspel tussen back Malacia en buitenspeler Toornstra niet goed op elkaar afgestemd. Ook moet Vilhena meer controlerend spelen, waardoor hij zijn kenmerkende aanvallende runs niet kan maken. Van Persie staat verder van het doel af en moet meer loopwerk verrichten. Allemaal voorbeelden van spelers die niet in hun kracht worden gebruikt.

Effectief maakt de aanvallend bedoelde opstelling de ploeg juist minder dreigend. Zelfs als Vitesse met 10 man komt te staan na een rode kaart, durft Van Bronckhorst de meest voor de hand liggende oplossing, namelijk een inschuivende centrale verdediger (de multifunctionele Tapia bijvoorbeeld), niet aan.

Uiteindelijk wint Feyenoord de wedstrijd tegen Vitesse door strijd, individuele klasse en De Kuip. Dat was ook het recept van het kampioenschap van 2016/2017. Dat kampioenschap leek de onvermijdelijke uitkomst van 18 jaar lang opgespaarde frustratie, omgezet in onverzettelijkheid. De overwinning op Vitesse was meer een voorbeeld van meer geluk dan wijsheid. Van Bronckhorst hanteert zelden een tactische opstelling die het surplus aan kwaliteit dat Feyenoord in de Eredivisie regelmatig wel degelijk heeft, optimaal tot zijn recht doet komen.

Dat geluk ontbreekt tegen Willem II (7 oktober 2018, eindstand 1-1), met als resultaat een gelijkspel. Ook blijkt dan dat de Feyenoord-coach het stroeve spel niet als een groot probleem ziet. Voor de camera’s van FOX Sports beaamt tweede aanvoerder Jordy Clasie het probleem nog na de wedstrijd. In zijn woorden: “Het loopt al weken niet lekker bij ons

Van Bronckhorst blijkt het daarmee niet eens te zijn in zijn persconferentie: “We komen uit een heel goede reeks qua resultaat. We weten allemaal dat het voetballend beter kan en beter moet. Daar moet je ook kritisch naar kijken. Maar vandaag mag je de wedstrijd niet verliezen op de manier zoals wij gedaan hebben.

Voor wie op een verbetering van het spel hoopt, is zo’n pure resultaatanalyse geen goede voorbode. Van Bronckhorst lijkt hier geen oorzakelijk verband te zien tussen dat resultaat en het proces (het spel). Hij focust op details (in dit geval een individuele fout). In een low scoring game zoals voetbal is het verleidelijk om op detailniveau en puur op het resultaat te analyseren. Het resultaat is uiteraard het enige wat telt. Ook vind je altijd wel een beslissend moment waar je het resultaat aan kunt toeschrijven.

Wie echter structureel beter wil spelen, zal moeten analyseren (en trainen) op systematisch niveau. Waarom maakt de ploeg relatief veel individuele fouten? Hoe komt het dat Feyenoord zoveel doelpunten tegen krijgt en zo weinig scoort, bijvoorbeeld? Van Bronckhorst geeft met zulke uitspraken niet bepaald aan dat hij zulke systematische vragen stelt, laat staan weet te beantwoorden.

5. Gebrek aan pressing

De opbouw en veldbezetting zijn niet de enige aspecten van tactisch modern, dominant voetbal die Feyenoord mist. Ook het gecoördineerd onder druk zetten van de tegenstander is niet iets wat de ploeg weet in te zetten. Pressing is een onmisbare tactiek voor een ploeg die dominant en verzorgd spel wil verzorgen. Feyenoord zet ook dit slechts ad hoc en inconsistent in. Dat kan een bewuste keuze zijn. Sommige spelers hebben misschien niet het loopvermogen om het vele werk te verzetten dat gepaard gaat met pressing. Die keuze zou echter onlogisch zijn, want dominant voetbal is niet meer mogelijk zonder pressing.

In de Champions League-wedstrijd Liverpool – Paris Saint-Germain (18 september 2018, 3-2 einduitslag) laten de Engelsen zien dat een goed pressende ploeg een tegenstander over de kling kan jagen. De uitslag doet geen recht aan het spelbeeld. PSG laat tegelijkertijd zien wat er gebeurt als niet iedereen bereid is om defensieve arbeid te verrichten.

De beide vleugelaanvallers van PSG, Neymar en Mbappé, zijn van wereldklasse. Ze blijken echter niet bereid de tegenstander onder druk te zetten. Daar komt PSG in de Ligue 1 mee weg. Tegen een tegenstander die kwaliteit, organisatie én werklust heeft, bleek dat onmogelijk. Als Liverpool wat klinischer was omgegaan met de kansen die het wist uit te spelen, was een monsteruitslag mogelijk geweest.

Feyenoord is geen PSG of Liverpool, maar de vergelijking loopt maar een beetje mank. De Feyenoord-spelers zijn geen wereldtoppers, noch vertonen ze de desinteresse in teamspel van het PSG-duo. De ploeg heeft ontegenzeggelijk wél een duidelijk bovengemiddelde kwaliteit voor Eredivisiebegrippen. Die kwaliteiten komen echter pas tot hun recht wanneer Van Persie en Berghuis dichter bij het doel kunnen spelen. Laat dat nou net niet mogelijk zijn als je niet als ploeg goed druk zet.

Om goed druk te zetten, heb je een ploeg nodig die zich goed kan positioneren. Ook heb je verdedigers nodig die voldoende snelheid hebben om de 40-50 meter in hun rug te kunnen controleren. Zo is het cirkeltje weer rond.

Conclusie

Feyenoord presteert ondermaats, met name op tactisch vlak. De moeilijke vraag, of Gio van Bronckhorst degene is die dat probleem kan oplossen, is inmiddels gerechtvaardigd. Als het Feyenoord-bestuur besluit dat Van Bronckhorst nog steeds de beste man voor de club is, dan zou de eis moeten zijn dat hij échte beslissingen neemt.

Wil hij verzorgd en dominant voetbal spelen, dan zal hij daar de meest geschikte spelers voor moeten opstellen, consequent daarop moeten trainen en moeten eisen dat iedereen uitvoert wat daarvoor nodig is. Feyenoord zou zelfs kunnen kiezen voor groei en toekomst. Ze kunnen jeugdspelers opstellen die de potentie hebben om door te groeien. Zijn de juiste spelers echt niet voorhanden (het eventuele waarom is een thema voor een andere keer)? Dan zal hij een andere tactiek moeten toepassen, minder verzorgd en wat directer misschien, en díe keuze consequent moeten doorvoeren. Doorgaan op dezelfde heilloze weg, kan alleen maar leiden tot meer falen. Dat betekent onherroepelijk een vertrek door de achterdeur voor de trainer die het kampioenschap bracht na 18 jaar wachten.

De negatieve optie, een andere hoofdtrainer, mag inmiddels ook geopperd worden. Misschien had Van Bronckhorst na drie seizoenen met elk jaar een prijs moeten vertrekken. Zoals het hoort: door de voordeur en met opgeheven hoofd. Zolang hij er is, verdient hij met zijn conduitestaat enig krediet. Hopen op beter spel lijkt echter tegen beter weten in. Met een moderne, tactisch onderlegde trainer als Peter Bosz vrij op de markt, is er een realistisch alternatief voorhanden. Hier mag het trouwe Legioen namelijk geen genoegen meer mee nemen.

Over de auteur

Birol Akkus